Pyo en Uyobak wonen ergens in het Oosten, ver weg, afgesneden van de wereld, in hun gouden kasteel waaruit zij nooit komen. Voor deze twee verkommerde wezens volgen de dagen elkaar op en lopen ze in elkaar over, ritmisch bepaald door de diensten van de panade. Pyo is degene die het naar binnen werkt: een bevoorrechte man die zijn hele leven lang met de zilveren lepel is gevoed. Uyobak is degene die zich inspant om de gewoontes te onderhouden die hun duo hebben gevormd: de koffie bij het ontwaken, de room in de ochtend en, vooral: de panade van de middag.
Tussen liefde, comfort en onderlinge afhankelijkheid lijken zij gevangenen van een situatie die hen overstijgt, en schikken zij zich erin. Maar het onaangekondigde bezoek van neven, teruggekeerd van reis, zal hun evenwicht verstoren. Genoeg om hen te confronteren met hun grootste urgentie: leven.
Een absurd en poëtisch universum dat degene die ernaar kijkt onderdompelt in een ruimte buiten de tijd.