In een onttoverd wereld, waar de aarde volledig is gecodificeerd, geïnspecteerd en uitgedroogd, blijft er slechts één enkele tuin over: een minuscule, bijna lachwekkende plek, vergeten door de kaarten en het digitale raderwerk.
Het is daar dat Thalia leeft, de vriendin van de vogels, tuinbouwster en dichteres, de ultieme overlevende van een gevoelig universum. Ze praat tegen de planten, luistert naar de wind, bedenkt liedjes en cultiveert de traagheid. Ze ziet zichzelf niet als verzetsstrijdster: ze leeft gewoon, punt uit.
Maar een andere vrouw breekt binnen op dit lapje grond. Ze heet Aurélise.
Ze komt uit die wereld waar dichters verboden zijn en waar alleen ingenieurs de wereld besturen. Aurélise kan zich niet neerleggen bij deze wereld van techniciteit en AI. Ze is zoekende. Dus zullen Aurélise en Thalia samen proberen met elkaar te praten, om de muziek van het menselijke wezen te begrijpen. Om naar elkaar toe te stappen via de taal waarin men niet bang is voor vogels, waarin het eten van een echte appel geen wonder is, waarin lachen niet verboden is.
De uitdaging is groot voor de twee vrouwen: de woorden vinden om aan de wereld te vertellen dat dromen, hoop, broederschap en liefde geen waarden zijn om af te schaffen, dat niets verloren is. En dat op een dag, eindelijk, de hele wereld deze laatste tuin zal zijn.