In aansluiting bij de tentoonstelling Les Dieux de la Maison,
schetst dit programma een beeld van de dagelijkse huismuziek, van de
renaissance tot de barok.
Vanaf het begin van de zestiende eeuw groeide de viola da gamba
in Europa uit tot hét instrument van de muzikale opvoeding. In Engeland
beschikten vele gezinnen over een chest of viols: een kist met verschillende
formaten viola da gamba's, bedoeld voor samenspel in familiekring.
Binnen dit repertoire gaan het sacrale en het profane hand in
hand. Componisten ontwikkelden een verfijnde polyfonie op basis van
volksliederen en gregoriaanse melodieën. Deze muziek klonk thuis, in de
kerk en ook in het openbare leven. Zo was het bijvoorbeeld niet
ongebruikelijk om bij de kapper een instrument van de muur te nemen en
wat te spelen terwijl men op zijn beurt wachtte.
In Frankrijk ontving Monsieur de Sainte-Colombe, grondlegger van
de grote Franse gamba school, publiek in zijn woning, waar hij samen met
zijn twee dochters — eveneens gambisten — ware « straatconcerten » gaf.
In Duitsland werd het instrument dan weer de stem van de rouw: in
huiselijke kring werden gedichten ter nagedachtenis van overledenen
gezongen, begeleid door viola da gamba's.
In dialoog met de in de tentoonstelling getoonde boro-textielen
belicht dit programma ook de manieren waarop componisten muziek van
tijdgenoten en populaire melodieën overnamen en herwerkten tot nieuwe
composities.
Werken van Josquin Des Prez, Heinrich Isaac, Girolamo
Frescobaldi, Monsieur de Sainte-Colombe en Johann Sebastian Bach.